Zoals succesfactoren voor IT-projecten te relateren zijn aan excellente projecten, of best practices, zo zijn van de slechtst presterende projecten, of de worst practices, faalfactoren voor IT-projecten af te leiden. Hiermee worden kenmerken bedoeld die van toepassing zijn op IT-projecten die meer dan gemiddeld slechter dan gemiddeld scoren voor zowel tijd, geld als kwaliteit.

 

Onderzoek van 150 afgeronde IT-projecten laat zien dat 15 van deze projecten als een worst practice konden worden gekenschetst. Bij deze projecten was in veel gevallen sprake van een of meer van de volgende eigenschappen:

  1. Een complexe omgeving. Dit kan als een containerbegrip worden beschouwd voor een aantal complexiteitverhogende aspecten, zoals complexiteit van betrokken back-offices, technische infrastructuur, aantallen stakeholders, en dergelijke.
  2. Nieuwe technologie. Wanneer binnen de scope van een IT-project ook de invoering van nieuwe technologie is betrokken, dan leidt dat in veel gevallen tot een relatief slechte performance. Voorbeelden van dergelijke nieuwe technologie zijn nieuw technisch platform met de daarbij behorende nieuwe architectuurconcepten, een nieuwe middleware oplossing of een platform-oplossing voor uniform, bedrijfsbreed gebruik van electronische formulieren.
  3. Afhankelijkheid van een of meer andere projecten. Veel worst practices kennen sterke afhankelijkheden van andere projecten (IT of business projecten). Dat zorgt voor relatief langere doorlooptijden en daarmee hogere projectkosten.
  4. Randvoorwaardelijke projecten of projecten met een hoog-technisch karakter. Dit punt vertoont wat overlap met punt twee; nieuwe technologie. Hier worden feitelijk twee soorten projecten bedoeld. Randvoorwaardelijke projecten zijn IT-projecten die moeten worden uitgevoerd om een basis te leggen waarop andere (volgende) IT-projecten kunnen voortbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een framework-oplossing voor een Internet-omgeving, waarbinnen in volgende projecten relatief eenvoudig nieuwe oplossingen kunnen worden gebouwd. Een tweede soort projecten zijn IT-projecten met een infrastructureel karakter, bijvoorbeeld een upgrade naar een nieuw type servers.
    Voor dergelijke projecten geldt dat zij bij een functiepuntanalyse relatief weinig functiepunten opleveren - er wordt immers maar weinig echte gebruikersfunctionaliteit gemaakt - waardoor de performance lager lijkt dan bij IT-projecten die relatief veel functiepunten opleveren (bijvoorbeeld pakketimplementaties). Bedenk hierbij wel dat dergelijke projecten voor een organisatie erg belangrijk kunnen zijn en veel toegevoegde waarde kunnen leveren.
  5. Projecten die een pilot of een proof of concept (POC) bevatten. Hiermee samenhangend; de doorlooptijd van een IT-project - en daarmee de performance indicator time-to-market kan negatief beinvloed worden door bijvoorbeeld een relatief lange en complexe RFP (Request for Proposal) of RFI (Request for Information) fase. Niet voor niets is het standpunt van veel agile adepten dan ook: 'doe nooit een pilot, maak gewoon een beta-versie'.
  6. Een complexe legacy omgeving. IT-projecten die te maken hadden met oude, en daarmee vaak complexe ontwikkelomgevingen lieten een slechtere performance zien dan IT-projecten die in relatief nieuwe ontwikkelomgevingen uitgevoerd werden. Een hypothese hierbij is dat zeker de kwaliteit van de systeemdocumentatie hierbij een belangrijke rol speelt.
  7. Veranderingen van de scope van een project gedurende de uitvoering. Veel exceptions gedurende de looptijd van een project hadden een slechte uitwerking op de overall performance.
  8. Afhankelijkheid van een of meer andere domeinen binnen de eigen organisatie. IT-projecten die een grote mate van afhankelijkheid kenden van andere organisatieonderdelen lieten in sommige gevallen een slechte performance zien. Dit punt lijkt zeker samen te hangen met punt 3; afhankelijkheden met andere projecten.
  9. In een relatief klein aantal gevallen leidde een slecht performende externe leverancier tot een slechte overall performance. Opvallend was dat dit gecombineerd was met het laatste punt in deze ranglijst.
  10. Een pakketoplossing met daarbij een hoge mate van customization. Invoeren van een pakketoplossing, maar vervolgens veel aanpassingen en toevoegingen aan de geleverde gebruikersfunctionaliteit bleek geen winnende combinatie.

Het onderzoek waarop bovenstaande uitkomsten zijn gebaseerd had betrekking op een set van ruim 150 afgeronde IT-projecten. Vijftien van die projecten scoorden als een zogenaamde worst practice. Een project werd in het kader van het onderzoek als een worst practice gekarakteriseerd wanneer de resultaten van een project zowel voor tijd, geld als kwaliteit slechter dan Sigma+1 waren; dat wil zeggen dat de scores voor die performance indicatoren slechter waren dan tweederde van de gemeten populatie.